In de placenta’s van enkele honden, paarden, schapen en runderen, is vaak de Q-koortsbacterie te vinden. Dit blijkt uit onderzoek van het Centraal Veterinair Instituut (CVI) in Lelystad.

Dat C. burnetii, de Q-koortsbacterie, bij deze diersoorten kan voorkomen was bekend, echter niet dat dit ook zo is in Nederland.  Om vast te stellen bij welke diersoorten de Q-koortsbacterie voorkomt , werden de placenta’s van katten, honden, paarden, schapen, geiten, varkens en runderen uit Nederland onderzocht op de aanwezigheid van C. burnetii . In aanvulling hierop is de bacterie, indien mogelijk, getypeerd om de overeenkomsten met het genotype dat voor de uitbraak van 2007-2010 heeft gezorgd te onderzoeken.

In geen van de placenta’s van katten, geiten of varkens werd DNA van C. burnetii aangetoond. DNA van C. burnetii werd wel aangetoond in de placenta’s van  honden, paarden, schapen en runderen.  Honden en paarden zijn mogelijk een reservoir voor C. burnetii . Het genotype dat voorkwam bij de placenta’s van honden en paarden, was niet te bepalen omdat er onvoldoende DNA aanwezig was voor de typeringstest.

Schapen en runderen reservoir

C. burnetii DNA werd aangetoond in ongeveer 1 op de 4 placenta’s afkomstig van schapen en runderen. Resultaten van de genotypering tonen aan dat C. burnetii van hetzelfde genotype als die van de uitbraak  werden aangetoond in de placenta’s van schapen en van één rund. Daarom moeten schapen als reservoir worden beschouwd van de bacterie die bij mensen Q-koorts veroorzaakt. In het geval van het rund is dit minder zeker. Tot nu toe is het uitbraakgenotype slechts incidenteel bij runderen aangetoond. Ook blijkt uit dit onderzoek dat bij runderen een specifiek rundergenotype voorkomt dat slechts incidenteel bij mensen wordt gevonden. Waarom dat zo is zal verder onderzocht moeten worden.