Het ene ras heeft een gevlekte vacht. Een ander draagt dreadlocks tot aan de grond. Maar beiden dragen ze een imposant sieraad op de kop. Jarenlang houdt Theo van Kilsdonk uit Heesch een kudde Jacobschapen en een kudde Hongaarse Racka’s. “Het zijn beide onvoorstelbaar mooie rassen.” 

Carla van Kilsdonk loopt met een zwabber door het huis. Hier en daar dweilt ze plasjes vocht van de vloer. Ze liggen verspreid in haar keuken en woonkamer. Onder de keukentafel klinkt een luid geblaat. Hoog en schel. Plots komt er een klein bont lammetje tevoorschijn. Het beestje maakt een wild sprongetje en danst over de plavuizen. Voor de krantenbak blijft ze stilstaan, ze snuffelt tussen de tijdschriften en begint dan gretig aan een papiertje te knabbelen. Terwijl ze ermee stoeit, plast ze de plavuizen onder zich nat. Er verschijnt een glimlach op Carla’s gezicht. “Hé Lammie, niet weer he? Ik ben maar druk met jou.” In één beweging veegt ze de vloer weer schoon. “En niet die boekjes opvreten”, grinnikt ze. “Die zijn om in te lezen.”

Normaal gesproken is haar huis geen plek voor leblammeren. Maar vanwege de strenge vorst maakte ze een uitzondering voor Lammie. Haar man Theo geniet zichtbaar van het lam in de woonkeuken. “Het is er eentje van een vijfling. Heel zeldzaam bij Jacobschapen. Haar moeder was er óók eentje van een vijfling. Misschien is het wel erfelijk.”

Imposante dieren

Theo fokt het ras al veertig jaar en hij is nog steeds in de ban van de dieren. “Ze zijn geweldig mooi en betekenen veel voor me.” Hij zag ze destijds op de Dag van het Schaap. Nooit eerder had hij zulke imposante schapen in het echt gezien. Hij viel voor hun bonte vacht en uiteraard voor de enorme hoorns. Bij sommige dieren, zowel ooien als rammen, kunnen maar liefst vier grote hoorns uit het hoofd groeien. “Een machtig gezicht. Ik vond het ouderwetse natuurdieren en wilde ze direct hebben.” Hij kocht twee ooitjes van de betreffende fokker, nam er later nog wat dieren bij en begon zich in het ras te verdiepen.

Engelse kolonies 

“Weet je waar de naam Jacob vandaan komt?”, vraagt Theo. “Het ras ontleent die aan het Bijbelse verhaal over Jacob. Als beloning mocht hij alle gevlekte schapen uit de kudde van Laban uitzoeken.” Jacobschapen zijn sobere dieren. Ze zijn sterk en makkelijk te houden. Aflammeren doen ze zelfstandig en zonder problemen.

Het ras komt oorspronkelijk uit Engeland. De exacte herkomst is niet bekend, maar duidelijk is wél dat de Engelsen tijdens de reizen naar hun kolonies vele schapenrassen van over de hele wereld mee naar huis namen. Daar zaten gehoornde schapen bij en dieren met vlekken. Theo pakt er een paar boeken bij en toont prachtige tekeningen van schapen op Engelse landgoederen. “Elke streek had z’n eigen type schaap, paard, koe, hond en zelfs kat. Engelsen zijn ongelooflijk goede fokkers.” Hij laat schetsen zien van de vele rassen die zijn samengebracht in het huidige Jacobschaap. Zo zorgde de Piebald onder andere voor de bonte kleur en de Afrikaanse Zulu voor de hoorns.

Bijna uitgestorven 

Door gebrek aan belangstelling kwam het ras in 1969 op de lijst van bijna uitgestorven dieren te staan. Fanatieke fokkers uit Engeland, maar ook Duitsland en Nederland, gingen er vervolgens weer serieus mee fokken zodat het Jacobschaap in 1979 van die lijst werd gehaald.

In Nederland waren er ooit 25 stamboekfokkers, maar vandaag de dag zijn dat er nog maar zes. “Vroeger was het eenvoudiger om schapen voor de hobby te houden”, weet Theo die altijd zo’n twintig Jacobschapen heeft. “Nu ben je veel geld en tijd kwijt aan registratie, chippen en administratie. Bovendien waren er destijds meer tentoonstellingen. Dat was geweldig, je had een doel om te fokken. Op zo’n dag kon je je dieren laten zien.”  Theo bladert door een fotoboek met tientallen zelfgemaakte foto’s van keuringsdieren. “Kijk, dat ben ik. En moet je die ram zien, wat een geweldig mooi beest.” Zijn felblauwe ogen glunderen.

Engelse type 

Toen Theo veertig jaar geleden met Jacobschapen begon te fokken, was het ras kleiner van type. Veel dieren hadden geen hoorns, hun vacht was harig en ze hadden nog een toef wol op de kop. Tijdens een reis naar Engeland zag hij royalere Jacobschapen. Hij raakte onder de indruk van hun ontwikkeling. Deze dieren waren ingekruist met het Dorset schaap. Ze waren zwaarder, groter en beter bevleesd. “Opvallend was ook hun mooie vacht en witte benen. Ze hadden geen donkere vlekken onder hun witte wol en geen donkere haren tussen de witte.”

Belangrijk is verder dat de hoorns symmetrisch op de kop staan, ze dienen door huid gescheiden te zijn. Theo nam een rugzak vol kennis mee naar Nederland en hield het Engelse type aan als fokdoel. “Alles bij elkaar duurt het jarenlang om dat fokdoel te bereiken. Dat lukt niet 1-2-3 hoor, en ook niet 7-8-9”, lacht hij. “Dat is een proces waar ik nóg steeds aan werk.”

Kurketrekker 

Zo’n tien jaar nadat Jacobschapen zijn hart veroverden, werd de hobbyfokker opnieuw ‘verliefd’. Dit keer op het Hongaarse Rackaschaap. Zijn schapenscheerder vertelde over een héél bijzonder schaap die hij bij een klant had gezien; een schaap met gigantische hoorns in de vorm van een kurketrekker. Theo ging kijken en was meteen verkocht. “Die dieren waren werkelijk geweldig.” Een paar weken daarna had hij ze ook.

Voor voldoende kwaliteit en bloedverversing importeerde hij later zelfs dieren uit Hongarije, Duitsland en Oostenrijk. Ook kocht hij wat Racka’s bij een dierentuin. Nu heeft hij een kudde van twintig dieren. Hij waardeert het ras om haar puurheid. Ze zouden zelfs in de sneeuw kunnen aflammeren. De lange schroefhoorns, die in een V-vorm op de kop horen te staan, vormen een prachtig sieraad. Ze kunnen wel tachtig centimeter lang worden. Ooit had hij een schaap waar de hoorns breeduit groeide. Het dier moest zijdelings door de deurpost om in de stal te komen.

Racka’s zijn er in twee kleuren: zwart en wit. Hun vacht bestaat uit piepkleine, lange dreadlocks. Theo: “Bij lammeren van één jaar oud, hangt het kleedje al tot aan de grond.” Het is zijn droom om ooit nog eens naar Hongarije te gaan. Op een staatsboerderij in Hortobâgy worden permanent 750 Racka’s gehouden. Een soort genenbank dus.

Fokkerij 

Bij het fokken gebruikt hij bewust geen fokzuivere zwarte ram, anders worden alle nakomelingen zwart. Zwart is namelijk dominant over wit. Een fokonzuivere zwarte ram gebruikt hij wel, want die heeft een wit gen. Bij kruising met een witte ooi is de kans op een wit lam 50 procent. Het kruisen van een witte ooi met een witte ram geeft 100 procent kans op een witte nakomeling.

Nederland telt twaalf stamboekfokkers. Het ras is, net als het Jacobschaap, ondergebracht bij de Vereniging van Speciale Schapenrassen (www.vssschapen.nl). Een aantal keer kruiste Theo Jacobschapen met Racka’s. “Je krijgt dan Jaracks. Ze zijn altijd effen zwart. Zelfs al kruis je een wit Jacobsschaap met een witte Racka. Dat komt omdat effen dominant is over bont. En zwart is dominant over wit.”

Het ras verschilt heel erg van de Jacobschapen, vindt Theo. Racka’s zijn echte kuddedieren, ze lopen altijd in groepjes bij elkaar. Terwijl de Jacobs zich over het hele weiland verspreiden. Qua karakter zijn ze vergelijkbaar. Er zijn hele makke dieren, en sommigen zijn wat schuwer. Schuw is Leblam Lammie in ieder geval niet. In de woonkeuken geeft Carla haar een warme fles melk. Daarna kruipt het beestje tevreden op haar dekentje naast Theo’s stoel. Hij lacht ernaar. En weer die glinstering in z’n heldere ogen.

“Welk ras mijn voorkeur heeft? Dat kan ik niet zeggen. Ze zijn me allebei even lief. Ik geniet elke dag van ze. Ze zijn onvoorstelbaar mooi, dat vind ik nog steeds.”

 

Tekst: Mariska Bloemberg – van der Hulst
Foto: Theo van Kilsdonk