Hoe groter en zwaarder een dier, hoe dikker zijn botten. Maar het kraakbeen wordt niet evenredig dikker. Dat blijkt uit onderzoek van het UMC Utrecht en de Universiteit Utrecht dat net gepubliceerd is in het tijdschrift PLoS ONE. Grotere dieren zoals de mens lopen daardoor mogelijk meer kans op gewrichtsslijtage.

Onderzoekers van het UMC Utrecht en de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht onderzochten de afgelopen vier jaar het kraakbeen uit de kniegewrichten van 121 dieren van 58 verschillende zoogdiersoorten, waaronder de mens. Zij vergeleken de kraakbeendikte en samenstelling in de knie bij zoogdieren met een sterk uiteenlopend volwassen gewicht: van een muis van 25 gram tot een Afrikaanse olifant van 4000 kg.

Uit het onderzoek blijkt dat de toename in kraakbeendikte niet gelijk opgaat met de toename in lichaamsgewicht. Met andere woorden: grotere dieren hebben in verhouding dunner kraakbeen. De samenstelling van het kraakbeen, en daarmee de sterkte van het weefsel, blijft echter constant. Het kraakbeen van grotere dieren is dus mogelijk kwetsbaarder.

‘Het zou wel eens mede kunnen verklaren waarom bij zware dieren relatief veel gewrichtsslijtage of artrose optreedt en bij kleine eigenlijk niet of nauwelijks’, reageert onderzoeker dr.ir. Jos Malda van het UMC Utrecht. Hij is eerste auteur van het PLoS ONE-artikel. ‘Het betekent onder andere ook dat in kraakbeenonderzoek heel kleine zoogdieren zoals muizen of ratten geen goed model vormen voor de situatie bij de mens.’

Het relatief dunnere kraakbeen bij grotere dieren komt waarschijnlijk doordat kraakbeen geen bloedvaten heeft, maar via ‘diffusie’ van voedingsstoffen moet worden voorzien. Als de diffusieafstand te groot wordt, krijgen de cellen in de diepste lagen onvoldoende voeding. Dat klopt met de bevinding van de Utrechters dat het kraakbeen van kleine zoogdieren verhoudingsgewijs meer cellen bevat dan dat van grotere dieren en de mens.

Bron: Faculteit Diergeneeskunde